
Zomer op de volkstuin - wát een ramp (?)
AlgemeenOp de volkstuin heb je nooit hetzelfde gesprek. Het ene seizoen gaat het over te veel regen, het volgende over te weinig.
Nee, hier is altijd wel iets aan de hand. Het ene moment valt de regen met bakken uit de hemel, het volgende moment staat iedereen weer te puffen alsof ze per ongeluk in een dichte kas in Zuid-Spanje zijn beland. De natuur doet hier niet aan maatwerk. Het is óf een moeras, óf een stofbak. Nooit iets ertussenin.
Op het moment dat de in de grond gestopte zaadjes net een beetje hoop beginnen te krijgen gaat het langdurig keihard gieten. De zaadjes ontkiemen niet, die nemen gewoon zwemles. En na de regentijd hangen de toch nog gegroeide groentes er geel en moe bij van de hitte, alsof de tuin er zelf ook geen vertrouwen meer in heeft. Water geven, water geven, nog eens water geven. En dan maar hopen dat de planten niet alsnog de handdoek in de ring gooien.
De blaadjes hangen slap van de warmte, de tuinders ook, en net wanneer je denkt “nu kan het niet erger”, gaat het weer hozen en verschijnt er een leger slakken dat zich gedraagt alsof de tuin speciaal voor hen is aangelegd.
En dan de woelmuizen en andere ondergrondse feestgangers die gangen aanleggen onder de ingezaaide bedden alsof ze bezig zijn met de aanleg van een handige metrolijn die ze snel van de éne naar de andere kant van het complex kan brengen. Bij het water geven ontstaan er complete zinkgaten en zie je de planten langzaam verdwijnen, de diepte in. En ondertussen worden je prachtige lupines ingepakt door luizen en andere, zwarte vliegertjes. Een paar lieveheersbeestjes doen dapper hun best om het tij te keren. Heel sympathiek, die beestjes, maar het is net alsof je met een theelepeltje een brand probeert te blussen.
En dan zijn er nog de parkieten. Die groene lawaaimakers komen langs alsof ze eigenaar zijn van de oogst. Onrijpe kersen, appeltjes en peertjes worden vakkundig meegenomen, en wat ze niet lekker vinden, gooien ze gewoon weer op de grond. Alsof ze willen zeggen: “Leuk geprobeerd, nog niet rijp, wij wachten wel op de volgende ronde.”
De volkstuin is vaak een groot openbaar ‘all-you-can-eat’ restaurant, alleen zonder bediening en met een zeer wisselende menukaart. Vraag dat ook maar aan de fazanten. Op momenten dat het rustig is op de tuinen, lopen er complete gezinnen heel parmantig door de tuinen te paraderen en te kijken of er wat naar hun smaak te smikkelen valt.
Toch is er ook goed nieuws. Want net als de natuur besluit om vooral tegen te werken, komt er ineens een oogst waar je u tegen zegt. Courgettes zo groot dat je ze niet meer oogst, maar vervoert. Bonen in hoeveelheden waar je een buurtsuper mee kunt vullen. Tomaten die zich gedragen alsof ze allemaal tegelijk besloten hebben volwassen te worden. En dan wordt er weer geoogst, gegeten, uitgedeeld, weggegeven, geruild en toch wat op de composthoop gelegd, omdat zelfs de buren op een gegeven moment beleefd beginnen te glimlachen en zeggen “nee, dank je wel, we hebben zelf ook nog wat”.
Tussen al dat tuinieren door lopen de aanlooppoesjes rond. Een kopje hier, een sprong daar, een blik alsof ze al jaren volwaardig lid zijn van de vereniging. Ze maken zich nergens druk om, nemen overal hun plek in en laten zich door niemand iets wijsmaken. Ze weten precies hoe ze elke tuinder het gevoel geven dat juist die bijzonder is, terwijl ze in werkelijkheid gewoon voor de gezelligheid komen, en voor wat brokjes, als het even kan.
De tuinders mopperen, zuchten en zweten, maar intussen blijven ze gewoon doorgaan. Want op de volkstuin is er altijd veel te doen en altijd wel wat aan de hand. De ene dag sta je tot je enkels in de modder, de andere dag loop je te sjouwen met een krat vol groente waar je de hele week van eet. Er is altijd water te veel of te weinig, altijd wel een dier dat je te slim af is, en altijd wel iemand die zegt: “Volgend jaar wordt het beter”. Maar moet dat echt? Juist doordat het nooit hetzelfde is en nooit saai, blijft de volkstuin zo heerlijk levend.
Op de volkstuin is de natuur soms een plaag, soms een weelde, maar de gezelligheid staat altijd in volle bloei.
Carola van Son
Volkstuinvereniging Krommenie