
“Er zijn nog te veel onbeantwoorde vragen”
REGIO - Onze streekgenoot Erik Schaap publiceert sinds 2006 boeken en artikelen over de jaren 1940–1945. Dat levert steevast twee vragen op: moet dat nou, nóg een oorlogsverhaal? En waarom gaat het steeds over de Zaanstreek? Over de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland alleen al duizenden boeken verschenen. De zwartste periode van de twintigste eeuw blijft schrijvers inspireren. In Schaaps boek De bezette Zaanstreek in 125 verhalen komt ook het dorp Krommenie voor. De Krommenieër mocht een aantal verhalen uit Schaaps boek onthullen, ook over ons eigen dorp.
De belangrijke rol van de Zaanstreek
Hoe ‘fout’ was de Zaanse politie tussen 1940 en 1945? Welke bedrijven rond de Zaan dreven handel met kamp Westerbork? Wat deed de ondergedoken Duits-Joodse schrijfster Grete Weil in Koog aan de Zaan? Welke Zaankanter verraadde Hannie Schaft? En waarom won een collaborerende Zaandamse wethouder in 1942 de belangrijkste literaire prijs van Nederland? Het zijn slechts enkele van de vele vragen die tijdens de Tweede Wereldoorlog speelden in en rond de Zaanstreek.
In De bezette Zaanstreek in 125 verhalen belicht Schaap in deel 1 achtereenvolgens de gevolgen van de oorlogsdictatuur voor het dagelijks leven, de Jodenvervolging en de collaborateurs. In deel 2, dat begin 2027 verschijnt, komen het verzet, de Hongerwinter en de naweeën van vijf jaar bezetting aan bod. Samen geven deze kronieken een breed overzicht van de toenmalige Zaanse bevolking en hun leefomgeving, in alle tinten tussen gitzwart en smetteloos wit.
Keer op keer duiken er nieuwe gegevens op die leiden tot nieuwe inzichten. Geen wonder: zelden was er een periode in de geschiedenis die én zo massaal het ultieme goed en kwaad toonde én zo uitvoerig is gedocumenteerd. Wie de beweegredenen van de mens wil doorgronden, kan zijn hart ophalen in de steeds toegankelijker wordende oorlogsarchieven. Bovendien lijkt de belangstelling voor de bezettingsjaren nog altijd niet af te nemen.
“De regelmatig terugkerende vraag of het nou echt moet, nog meer oorlogsboeken, beantwoord ik dan ook met een volmondig ja,” aldus Schaap.
Dan die tweede vraag: bij veel – maar niet alle – van zijn publicaties over de oorlog speelt de Zaanstreek een rol. Schaap is overigens niet de enige die deze regio als decor kiest. “Er zijn sinds 1946 enkele tientallen boeken verschenen over de Zaanstreek in bezettingstijd. En het eind is nog niet in zicht. Weinig gebieden in Nederland kunnen bogen op zo’n immense stapel literatuur over de vijf jaar dat Nederland zuchtte onder een dictatuur.”
Bovendien duikt de Zaanstreek regelmatig op in oorlogsboeken over personen en gebeurtenissen elders in het land. Dat is mede een indicatie van de rol die deze regio destijds had. Voeg daarbij het al vroeg ontluikende en bovengemiddelde antinazistische verzet in de Zaanstreek, de vele Zaanse kopstukken in de landelijke illegaliteit, het relatief hoge aantal Joodse onderduikers, de bijzondere samenwerking binnen het Zaanse verzet die regelmatig de verzuiling overstijgt, en de deelname van de Zaanse bevolking aan alle drie de grote werkonderbrekingen tijdens de oorlog (Februaristaking, April-meistaking en Spoorwegstaking), en de conclusie is snel getrokken: stof genoeg voor artikelen en boeken over de jaren 1940–’45 in de Zaanstreek.
Oranje-elftal
Natuurlijk belicht ons artikel maar een fractie van de uitzonderlijke verhalen die Schaap heeft opgetekend. Wie meer wil weten, ontkomt er niet aan het boek van Schaap aan te schaffen. Wij belichten hieronder enkele opmerkelijke Zaanse- en Krommenieër verhalen.
Zo staat er in het boek onder meer een hoofdstuk over Zaanse voetballers in het ‘verzwegen’ Oranje. Tussen 1940 en 1945 bestond er geen officieel Nederlands elftal, maar er werd wel gevoetbald. Het team bestond uit spelers die in de Arbeitseinsatz terecht waren gekomen. In deze officieuze nationale ploeg speelden ook Zaankanters mee.
Het nationaalsocialistische Nederlandsche Arbeidsfront organiseerde de eerste interland. “Oorspronkelijk was het de bedoeling om de beste Nederlandse spelers die in Duitsland werkten op te stellen,” aldus het blad Sportkroniek. “De NSRL, die voor deze wedstrijd zijn toestemming verleende, kon echter om begrijpelijke redenen niet toestaan dat spelers uit alle delen van het rijk werden gekozen.” Daarom werd een B-team samengesteld. “Het eerste Nederlands elftal van tewerkgestelden in Duitsland was uiteindelijk een Saksische combinatie die weinig tot de verbeelding sprak,” oordeelde Kees Volkers. “Alle spelers woonden en werkten in de regio Leipzig-Dresden.”
Daardoor kregen twee Zaanse spelers de kans zich te onderscheiden: middenvelder H. Huigen (GVO) en aanvaller W. Vroon (Zaandijk). Het zou de eerste en laatste keer zijn dat spelers van deze twee Zaanse clubs voor ‘Oranje’ uitkwamen.
Die eerste wedstrijd smaakte naar meer. Er volgde een nieuwe interland, ditmaal in Berlijn. Aangezien dit ver buiten het werkgebied lag van Huigen en Vroon, deden zij niet mee. Dat gold ook voor de dertien daaropvolgende oorlogswedstrijden van het zogenoemde Oranje.
Op 25 februari 1944 plaatste De Telegraaf een voorbeschouwing van een wedstrijd die twee dagen later zou plaatsvinden. Opvallend was dat daarbij vijf Zaankanters werden genoemd: de QSC’ers Evert Roubos en K. Koppen, Van Dam (GVO), T. Kousbroek (ZFC) en P. de Vries (WFC). Hoe de wedstrijd verliep, vermeldde de krant helaas niet.
In april 1944 bezocht de Dresdense ploeg, die twee maanden eerder tegen Vlaanderen had gespeeld, de Nederlandse combinatie uit Leipzig. In het Duitse team speelden W. Vroon (Zaandijk) en keeper M. Molenaar (GVO). In de Dresdense ploeg speelden onder anderen T. Kousbroek (ZFC), P. de Vries en Joop Zwart (WFC) en Van Dam (GVO). Ook Evert Roubos (QSC) werd opnieuw genoemd. Dresden won de ‘uitwedstrijd’ met 4–0.
Politie
Over de politiekorpsen in Wormerveer en Krommenie is weinig bekend, onder meer omdat de dag- en nachtrapporten van die gemeenten zijn verdwenen. Uit een ondergronds verslag van 19 maart 1945 blijkt dat de Krommenieër NSB-burgemeester Gerrit Jongsma het niet eenvoudig had met de aan hem toegewezen politiemensen: “Jongsma verklaarde tenminste: Visser is de enige man van het politiekorps die ik volledig kan vertrouwen en aan wie ik een goede steun heb.”
Waar de fanatieke collaborateur Jongsma in 1948 werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf, kreeg opperwachtmeester Jan Visser 2,5 jaar cel wegens het arresteren van april-/meistakers. Zijn betrokkenheid bij de aanhouding van verzetsmensen en ondergedoken Joden werd hem niet aangerekend, waardoor hij met een relatief milde straf wegkwam.
Omdat Jongsma weinig steun kreeg van zijn eigen politie, trok hij er regelmatig zelf op uit, gewapend met een pistool. Hij arresteerde Joodse onderduikers en joeg op verzetsstrijders. Verzetsgroepen deden daarop meerdere vergeefse pogingen om hem uit de weg te ruimen.
Op zaterdag 27 september verzamelt Philippa 21 WA-mannen. Generalkommissar für das Sicherheitswesen Hanns Albin Rauter schrijft aan Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart dat het de bedoeling was straatnaamborden met namen van leden van het koningshuis te verwijderen in Zaandam, Wormerveer, Krommenie en Koog aan de Zaan. “Philippa had hiervoor noch van de NSB-partijleiding, noch van de leiding van de WA opdracht ontvangen,” oordeelt Rauter later. “Integendeel, hij had de beslissing zelf genomen.”
Kort daarvoor had Seyss-Inquart nog laten weten dat de ‘koninklijke’ straatnaamborden voorlopig niet vervangen hoefden te worden, maar daar trok Philippa zich niets van aan.
In Zaandam komen de WA’ers niet ver: de politiecommissaris verbiedt de actie. De zwarthemden trekken daarom naar Krommenie, waar de Juliana- en Wilhelminastraat worden omgedoopt tot ‘Mien Tippelstraat’ en ‘Medelijdenstraat’.
In Krommenie en Wormerveer verloopt de actie volgens Rauter “vlot”, bij gebrek aan handhavende politie. Drie dagen later meldt Het Nationale Dagblad enthousiast dat “de Zaankanters met zichtbaar genoegen het werk der zwarte soldaten hebben gadegeslagen”. Dat beeld wordt echter tegengesproken door getuigenissen van zowel voor- als tegenstanders.
‘Verblifa-monument’
Het ‘Verblifa-monument’ herinnert de inwoners van Krommenie (gemeente Zaanstad) aan 24 medewerkers van Verblifa N.V. die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen om het leven zijn gekomen. De herdenkingssteen is vermoedelijk in 1946 onthuld.
Nederlandse militairen die in 1940 tegen de inval van de bezetter hadden gevochten, mochten aanvankelijk naar huis. In april 1943 kregen zij echter een oproep om zich als dwangarbeider te melden. Ongeveer 300.000 soldaten werden tewerkgesteld. In Overijssel brak protest uit en volgde een grote staking, die zich uitbreidde naar andere delen van het land. In de Zaanstreek werd onder meer het werk neergelegd bij blikfabriek Verblifa in Krommenie. Als reactie fusilleerde de bezetter vier arbeiders en werden tien anderen weggevoerd; de helft overleefde de oorlog niet. Op het monument staat vermeld dat de overlijdensdatum van H. Stodel onbekend was, maar later werd vastgesteld dat hij op 21 januari 1945 is overleden.
De schrijver
Erik Schaap (1961) studeerde journalistiek in Utrecht en politicologie in Amsterdam en schreef diverse boeken over de Tweede Wereldoorlog, waaronder het levensverhaal van verzetsman Walraven van Hall, waarop de speelfilm Bankier van het verzet (2018) is gebaseerd. Voor De verraadster ontving hij in 2023 de Bredenhofprijs.
Schaap werkte onder meer als verpleegkundige, gemeenteraadslid en PR-medewerker in de non-profitsector. Tussen 1995 en 2025 was hij coördinator van het Bureau Discriminatiezaken (later Discriminatie.nl) Zaanstreek/Waterland. Daarnaast werkte hij als verslaggever en publicist. Hij schreef duizenden artikelen voor uiteenlopende media, waaronder De Tijd, Vrij Nederland, het Noordhollands Dagblad en diverse vakbladen. De onderwerpen varieerden van politiek tot popmuziek en van negentiende-eeuws socialisme tot de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1999 verschenen bij meerdere uitgeverijen boeken van zijn hand, meestal over de Nederlandse geschiedenis.
Zie ook www.schaapschrijft.nl


